Toen Israël een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte geroepen. Maar gelijk zij hen riepen, alzo gingen zij van hun aangezicht weg; zij offerden de Baäls, en rookten de gesneden beelden. Ik nochtans leerde Efraïm gaan; (1)Hij nam ze op Zijn armen, maar zij bekenden niet, dat Ik ze genas. Ik trok ze met mensenzelen, met touwen der liefde, en was hun, als hen, die het juk van op hun kinnebakken oplichten, en Ik reikte hem voeder toe. (2) Hij zal in Egypteland niet weerkeren; maar Assur, die zal zijn koning zijn; omdat zij weigeren zich te bekeren. En het zwaard zal in zijn steden blijven, en zijn grendels verteren, en opeten, vanwege hun beraadslagingen. Want Mijn volk blijft hangen aan de afkering (3) van Mij; zij roepen het wel tot de Allerhoogste, maar niet een verhoogt Hem. Hoe zou Ik u overgeven, o Efraïm? u overleveren, o Israël? Hoe zou Ik u maken als Adama, u stellen als Zebóïm? (4) Mijn hart is in Mij omgekeerd, al Mijn berouw is te zamen ontstoken. k zal de hittigheid van Mijn toorn niet uitvoeren; Ik zal niet weerkeren om Efraïm te verderven; want Ik ben God en geen mens, de Heilige in het midden van u, en Ik zal in de stad niet komen. (5) Zij zullen de HEERE achterna wandelen, (6) Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen. Zij zullen bevende aankomen als een vogeltje uit Egypte, en als een duif uit het land van Assur; (7) en Ik zal hen doen wonen in hun huizen, spreekt de HEERE. (Hosea 11 'Gods ontferming over Israel ' )
UITLEG OVER HOSEA 11:
(1) Hij nam ze op Zijn armen,
Dit zijn de woorden van den profeet, die hij tussen Gods woorden invoegt, uit verwondering over Gods vriendelijkheid en goedertierenheid, alsof hij zeide: Immers is het waar, dat Hij hen, als een vader, of moeder een kind, [zie Hos. 11:1,] inzonderheid als het moede is van het gaan, op de armen gedragen heeft; zie Exod. 19:4; Deut. 1:31, en Deut. 32:11,12; Jes. 63:9, en van Mozes, Num. 11:12.
(2) Egypteland niet wederkeren;
Of zij wel zouden mogen wensen liever in Egypte weder te keren, gelijk zij zich derwaarts zullen begeven om hulp en toevlucht tegen den Assyriër te zoeken, zo zal het hun toch alzo niet gelukken, maar de tien stammen zullen in het algemeen van den Assyriër uit hun land worden weggevoerd, en veel zwaarder geplaagd dan tevoren in Egypte; zie Hos. 8:13, en Hos. 9:6, en de aantekening aldaar, en vergelijk Hos. 10:9.
(3) van Mij;
Hebreeuws, aan mijne afkering; dat is, aan de afkering, of afwijking, waarmede zij van mij steeds afwijken, of die zij tegen mij betonen. Anders: hangen; [te weten, in onzekerheid en twijfelachtigheid om [hunne] afkering van mij; dat is, zij weten niet waarheen zich te keren, nu hier dan daar lopende om hulp. Beiden in een goeden zin.
(4) hart is in Mij omgekeerd,
Menselijkerwijze van God gesproken, om enigszins uit te drukken de grootheid en onbegrijpelijkheid zijner barmhartigheid. Zie Gen. 34:30; 1 Kon. 3:26; Klaagl. 1:20.
(5) HEERE achterna wandelen,
Jezus Christus, den Messias, hun Hoofd en Koning. Vergelijk met Hos. 3:5.
(6) brullen als een leeuw,
Door de openbare, klare en heldere predikatie van het Evangelie, waardoor Hij zijne uitverkorenen [gelijk een leeuw zijne jongen] bijeen zal roepen, gelijk volgt. Vergelijk Jes. 27:13; Amos 3:8; idem, waardoor Hij niet alleen den zijnen zijn genadewerk zal verkondigen, maar ook zijnen en zijner kerken vijanden, zijne wraak en overwinning, voornamelijk van alle geestelijke vijanden, die Hij, als de rechte leeuw van Juda, zal overwinnen en in triomf voeren. Zie Gen. 49:9; Col. 2:15; Openb. 5:5, en vergelijk wijders Jes. 31:4,5; Joël. 3:16; Amos 1:2.
(7) wonen in hun huizen,
Dat is, [naar den stijl der profeten]. Ik zal hen planten in mijne kerk, en door Christus geven rust en vrede in hunne conscientiën, en na dit leven, hunne plaats in de hemelse woonsteden. Zie Hos. 2:13,17, met de aantekening en van Hos. 12:10.